Feesten waren vroeger vrolijker.
Zo lijkt het toch als ik diep in mijn geheugen kijk.
Je had de tafel van de vloekende nonkels. Daar ging het nogal luid aan toe. Terwijl ze een kaartje legden, smeerden ze hun hese kelen met liters bier en jenever.
En je had de hoek van de komerende tantes. Vastgeplakt op hun stoel, maar met tongen die nooit stilstonden. Koffie en taart hielden hen nog enigszins in toom.
De tafel met de vloekende nonkels vond ik de leukste. Maar luistervinken bij de fezelende tantes deed ik het liefste. Daar leerde ik veel, vooral over dingen waar mijn oren nog te jong voor waren. Hoe stiller ze komeerden, hoe nieuwsgieriger ik werd.
Later op de avond durfden ook de tantes al eens nippen van een Elixir d’Anvers, of een Mandarine Napoleon.
Een knoopje van een bloes ging open, tongen werden nog soepeler en de zeden losser.
Alsof ze hun mannen wilden omver kegelen, zo gaven de tantes van katoen tijdens het balspel. Maar achteraf trokken ze hun vent toch kirrend tegen hun malse boezem aan.
Meetje legde nog een muziekje op, stoelen werden opzij geschoven en tussen kast en tafel, pompsteen en stoof huppelde een sliert zatte nonkels en wulpse tantes door de beste kamer, de lochting in en zo naar huis. Eén straatje verder maar.
