Nog nooit droeg Vlaanderen de kunst van het tafelen zo hoog in het vaandel. Je kunt de TV niet aanzetten of iemand staat enthousiast in potten te roeren, zie je een sterrenchef vakkundig en fotogeniek zijn personeel uitfoeteren, gaan keukenbrigades kookduels aan, probeert men een restaurant op te starten enzovoort. Elke BV, die naam waardig schrijft een kookboek. Zelfs politici wagen zich achter het fornuis. Het gevolg is dat iedereen zich aan tafel als een inspecteur van Gault Millau gedraagt en dat ongeveer elke inwoner van ons land een zinnig gesprek kan voeren over zowel de “cuisson” van een in de koude wateren van de IJsland gevangen langoustine, het liefdesleven van de Duke of Berkshire als de organisatie van een doordeweekse bistro.
Nu mag ik mezelf ook wel een min of meer gepassioneerde hobbykok noemen. Mijn potten zijn echter al zo oud dat ze al dienst deden voor het woord ‘hobbykok’ werd uitgevonden. Dus kan ik hier bezwaarlijk neerpennen dat ik die gastronomische lawine er wat over vind. Of toch? Door die culinaire revolutie verwacht men nu dat elke gemiddelde vrouw of man voor familie of vrienden uit de losse pols een perfect afgekruide bearnaisesaus kan kloppen. De huiskok van dienst is in staat in een handomdraai met de aanwezige grondstoffen een pittige salade samen te stellen en zijn gasten te onderhouden over de invloed van het kiezelgehalte op de chardonnaydruif tijdens de koude zomernachten ten zuiden van Dijon. Hobbykoks oefenen dagenlang hun menu tot de perfectie en winnen wedstrijden met gerechten waarvoor menig chef moet passen.
Ik bedoel maar, stilaan verdrijft de prestatiedrang het plezier en sluipt de stress van het scoren binnen. Laat ons met beide voeten op de keukenvloer blijven en ons in eerste instantie amuseren. Zowel met het eten als met het koken. En is iets klaarmaken voor het plezier van anderen niet de essentie van koken?
